Een liefdesgeschiedenis in Saint Germain des Prés
Cultboek Ed van der Elsken herdrukt

Zelden zal een fotoboek zoveel stof hebben doen opwaaien als Ed van der Elsken’s Een liefdesgeschiedenis in Saint Germain des Prés. Nog maanden na verschijning in novem-ber 1956 werd er in de Nederlandse pers nagepraat over het zwartgallige portret dat de fotograaf had geschetst van een groepje onaangepaste, nihilistische jongeren in Parijs. Na meer dan 40 jaar is er dan nu eindelijk een herdruk van dit omstreden cultboek. Over Een liefdesgeschiedenis in Saint Germain des Prés is veel gezegd en geschreven, vooral door Ed van der Elsken zelf. Maar met alle aandacht voor zijn unieke persoonlijkheid en de romantiek rondom zijn armoedige kunstenaarsbestaan in Parijs is één aspect onderbelicht gebleven; namelijk de uitzonderlijke vormgeving van het boek. Een belangrijk aandeel hierin had de grafisch ontwerper Jurriaan Schrofer.         

In de voetsporen van de Nederlandse Cobra-schilders Appel, Constant en Corneille vertrok de jonge fotograaf Ed van der Elsken in 1950 naar Parijs met een aanbevelings-brief op zak voor het befaamde fotopersbureau Magnum. Zes maanden lang drukte hij de negatieven af van Robert Capa, Henri Cartier-Bresson en Ernst Haas, om zich vervolgens gedurende vier jaar te wijden aan een indrukwekkende reportage over een groep rond-zwervende jongeren in de studentenwijk Saint Germain des Prés. Vooral door een ontmoe-ting met de Australische danseres Vali Myers raakte Van der Elsken nauw betrokken bij deze van de hand in de tand levende ‘vagebonden’, die ongegeneerd met drugs, seks en alcohol experimenteerden en toeristen besteelden om aan geld te komen. Vali Myers was de spil van de groep. Zij was naar Frankrijk afgereisd om als danseres werk te vinden, maar dreef steeds verder af naar een door opiumverslaving versterkt doodsverlangen. Van der Elsken besloot Vali en haar copains van nabij met de camera te volgen.

De jongeren kwamen uit alle hoeken van de wereld. Sommigen waren getekend door de Korea-oorlog, anderen teleurgesteld over de afloop van de Tweede Wereldoorlog. Van der Elsken raakte gefascineerd door hun roekeloze karakters, en voelde zich sterk verwant met hun authentieke somberheid en nihilistische levenshouding. Van de samenkomst in de café's en het bohémienachtige leven dat ze leidden maakte hij een hoogst subjectief beeldverslag, alsof hij zelf deel uitmaakte van de groep. Pas achteraf in 1953, op aanraden van Edward Steichen, die als organisator van de tentoonstelling The Family of Man foto-materiaal bij hem zocht, ontstond het idee om een fotoboek te maken met een deels ver-zonnen verhaal, een plot en fictieve personages in de hoofdrol.
        
Van der Elsken stelde een dummy samen, maar slaagde er in eerste instantie niet in een uitgeverij geïnteresseerd te krijgen. Wél had hij succes bij het befaamde Engelse blad Picture Post, dat in 1954 een vierdelige serie wijdde aan zijn reportage onder de titel 'Why did Roberto leave Paris?'  De redactie was schijnbaar zo diep onder de indruk van de poëtische kracht van de foto's dat de lezer er meteen op werd geattendeerd dat dit geen film is, maar een "real-life story about people who do exist". Wél bedacht was het verhaal, dat twee jaar later ten grondslag zou liggen aan het door De Bezige Bij in co-produktie met een Duitse en Engelse uitgever op de markt gebrachte fotoboek Een Liefdesgeschiedenis in Saint Germain des Prés (Die Liebe in Saint Germain des Prés / Love on the left bank). Van der Elsken werd er in één klap wereldberoemd mee.
         
Een liefdesgeschiedenis is het relaas van de Mexicaanse jongen Manuel, die in 'Picture Post' nog zijn werkelijke naam Robert heeft. Manuel vertelt hoe hij in Parijs verliefd wordt op de knappe vrouw Ann (Vali Myers), die rondhangt in de café's in Saint Germain des Prés en in de jazz-kelders danst met negers. Het is echter een uitzichtloze liefde, want Ann, altijd omringd door mannen, toont geen belangstelling voor Manuel. Na de constatering dat ze een lesbische relatie heeft met haar vriendin Geri, keert Manuel teleurgesteld terug naar Mexico. Thuis ontvangt hij een brief van Ann met de mededeling dat zij en Geri een ge-slachtsziekte hebben en dat ze vermoeden dat hij er ook aan leidt. Ze troost hem met de gedachte dat hij nu wel echt bij de 'gang' hoort.
        
Dit simpele verhaal was deels autobiografisch en deels verzonnen. Van der Elsken voelde zich daadwerkelijk aangetrokken tot de extravagante Vali Myers. Maar een aantal speci-fieke gebeurtenissen - zoals het verblijf van Manuel in de gevangenis - tekende hij op uit de mond van de andere bohémiens. Overigens was er in Picture Post, zeer tegen de zin van de fotograaf in, wél sprake van een happy end. De redactie liet Roberto namelijk teruggaan naar Mexico omdat hij de koek van zijn moeder miste!

Het fotoboek kreeg gestalte dankzij de zeer originele lay-out van de jonge grafisch ont-werper Jurriaan Schrofer (1926-1990). Net zoals generatiegenoot Van der Elsken (1925-1990) was Schrofer lid van de GKf, de Vereniging van Beoefenaars der Gebonden Kunsten. Geïnspireerd door het medium film bedachten Schrofer en Van der Elsken een montage, waarin allerlei filmische elementen zijn verwerkt, zoals de flashback techniek en combinaties van close-ups, medium shots en totaalbeelden. Schrofer, die oorspronkelijk ambities koesterde om filmregisseur te worden, had uitgesproken ideeën over het fotoboek in relatie tot film. Wezenlijk voor film achtte hij de montage, waarmee een ritme verkregen kon worden in de opeenvolging van scènes. Binnen dit ritme moesten contrasten worden aangebracht. Schrofer vroeg zich af of dit ook in boekvorm mogelijk was. Bij een boek heeft men te maken met twee pagina's naast elkaar én met elkaar opvolgende pagina's. Bij het bladeren door een boek kan het gewenst zijn om een visuele indruk te herhalen of juist te contrasteren. Net zoals bij film zou er een ritme moeten ontstaan in de opeenvolgende pagina's.

Al in een vroeg stadium had Jurriaan Schrofer in de gaten dat de Parijse foto's van Ed van der Elsken zich uitstekend leenden voor een fotoboek dat verwantschap vertoont met een roman en een speelfilm. Voor het kerstnummer van Drukkersweekblad van 1954 verzorgde hij de lay-out van een voorpublicatie uit Van der Elsken’s nimmer verschenen tweede boek over Parijs: het autobiografische ‘Wij wachten totdat deze deur opengaat’ over zijn relatie met de Hongaarse fotografe Ata Kando en haar drie kinderen. In een aanvullend artikel repte Schrofer over een nieuwe tendens in de fotografie. Hij zag een verschuiving van de 'objectieve', journalistieke reportage naar een meer persoonlijk beeldverhaal, waarbij het oog van de fotograaf niet langer naar buiten kijkt, maar naar binnen, om te zien wat er in hemzelf omgaat op het moment dat hij de ontspanknop indrukt. Ed van der Elsken was een duidelijk voorbeeld van deze subjectieve blik. Schrofer trok daaruit de conclusie dat de fotoreportage en het documentaire fotoboek zouden moeten worden vervangen door wat hij noemde de 'beeldroman van het alledaagse'. De term 'beeldroman’ - waarschijnlijk afgeleid van de in de jaren veertig en vijftig in Italië zeer populaire ‘fotoromanzi’ of ‘fumetti’ - zou in de jaren daarna ingeburgerd raken als aanduiding voor fotoboeken waarbij de foto’s aan elkaar zijn gekoppeld door een fictieve vertelling, zoals bij een roman of speel-film.

Jurriaan Schrofer pastte zijn ideeën het meest uitgesproken toe in Een liefdesgeschiedenis in Saint Germain des Prés. Op filmische wijze, met veel aandacht voor ritme, contrast-werking en fotorijm, rangschikte hij de losse foto's tot een beeldverhaal. Centraal daarin stonden de intieme, geënsceneerde portretten van Vali Myers, de knappe, roodharige vrouw met de zwartomrande ogen en ernstige blik. In de zwarte boekband en  schutbladen werd de depressieve sfeer rondom de personages nog extra benadrukt. Daardoor paste het boek helemaal in de heersende belangstelling voor het existentialisme, en belichaam-de het de sombere onaange-pastheid van deze jongeren in Parijs.

Over de indeling van deze beeldroman zei Jurriaan Schrofer: "Als je dat boek ziet zit daar een ritme in en een begin, een middenstuk en een eind. Het is een wandeling door de tijd." Daarmee gaf hij te kennen dat het boek eenzelfde opzet kende als veel speelfilms uit die jaren. De ontknoping van deze films - en Citizen Kane (1941) van Orson Welles is daar een vroeg voorbeeld van - werd al in de openingsscènes getoond, net zoals de slechte afloop van Een liefdesgeschiedenis bleek uit de foto en de tekst op de eerste bladzijde. Wat dan volgt is een lange flashback waarin Manuel in de ik-vorm vertelt van zijn belevenissen in Saint Germain des Prés. Op het einde van het boek wordt de foto met de drie hoofdper-sonen herhaald, en blijkt de dramatische afloop. Het verhaal is dan rond.

Niet alleen de verhaalstructuur maar ook de foto-layout van het boek kan men als 'filmisch' karakteriseren. Per pagina wisselde Schrofer grote, middengrote en kleine formaten met elkaar af. Close-ups van de gezichten van Ann en Manuel werden opgeblazen tot de om-vang van een spread. Kleine foto's plaatste hij vaak als filmstroken op een pagina. Deze foto's toonden dan verschillende momenten van dezelfde handeling, zoals een jongen en een meisje die elkaar omhelzen in een café. Van der Elsken fotografeerde met zowel een Leica 35 mm als met een Rolleicord 6x6. De Leica leverde liggende en staande beelden op en de Rollei vierkante, wat de foto-layout nog extra bemoeilijkte. Heel bijzonder is dat Schrofer en Van der Elsken aan het einde van het boek in grote aflopende foto's een droomscène hebben gemonteerd. Manuel zit in de gevangenis vanwege diefstal, en denkt alleen maar aan Ann. In het eerste droombeeld poseert ze in gedachten verzonken, leun-end tegen een verweerde muur, waarop met witte letters ‘rêve’ staat gekalkt (van ‘grève’, staking!). Op de volgende bladzijden verschijnt zij aan Manuel als pin-up en mysterieuze femme fatale; het dromerige alterego van Juliette Gréco die in haar narcisme slechts ver-liefd kan zijn op haar eigen spiegelbeeld. Dan volgen er vijf pagina’s met zelfportretten van Ann; surrealistische houtskooltekeningen van haar sterk vermagerde lichaam en uitge-teerde gezicht, waarin de opiumverslaving en drang tot zelfvernietiging schrijnend zicht-baar worden. Manuel’s nachtmerrie bereikt een dramatische climax in de foto waar Ann met gesloten ogen haar bleke, vergiftigde zelfbeeld kust in een bewasemde spiegel. De hallucinerende intensiteit van de droom-sequentie eindigt tenslotte in het zwart van een lege pagina.        

Zoals reeds gezegd heeft Een liefdesgeschiedenis een sterk autobiografische inslag. Van der Elsken verbleef regelmatig tussen de jonge bohémiens en voelde een sterke verwant-schap met hun destructieve levenshouding en recalcitrant gedrag. Maar dankzij zijn camera kon hij net voldoende afstand houden om hen te fotograferen. Feitelijk leidde Van der Elsken in Parijs een soort dubbelleven. Hij woonde in een buitenwijk samen met zijn eerste vrouw Ata Kando en haar drie kinderen, die uit een vorig huwelijk kwamen. Maar tegelijkertijd hield hij een klein kamertje aan in het Quartier Latin. Zijn persoonlijkheid was dus net zo verscheurd als die van zijn zwervende leeftijdgenoten. Ook is bekend dat Van der Elsken heimelijk verliefd was op Vali Myers, en haar twee jaar lang met zijn camera tot op de meest intieme plekken volgde. Behalve een korte romance is het nooit tot een relatie gekomen. Wél inspireerde zij hem als muze en model tot het maken van Een liefdesge-schiedenis in Saint Germain des Prés.

Er valt nog veel meer over het boek te vertellen. Over de felle weerstand die het opriep in Nederland vanwege de schunnige teksten en de nihilistische ondertoon. Over de weige-ring van Ed van der Elsken aan het adres van zijn Amerikaanse uitgever om Graham Greene de inleiding te laten schrijven, omdat alleen de door hém opgetekende rauwe directheid van de straattaal - en niet een beschaafd voorwoord van een deftig schrijver - zou passen bij zijn protegé's. Of over het verzoek van diezelfde uitgever om een passage waarin Vali Myers haar liefdesleven met de negers uit de danskelder La Scala beschrijft, te schrappen. Van der Elsken stond echter geen censuur van zijn werk toe, en liet zo een Amerikaanse editie aan zich voorbijgaan.

Net als Ed van der Elsken zou Jurriaan Schrofer de komende jaren nog een aantal indruk-wekkende fotoboeken samenstellen, waaronder de beeldroman Droom in het woud (1957) van Ata Kando en de bedrijfsfotoboeken Vuur aan zee (1958) over de Hoogovens en De Verbinding (1962) voor de PTT. Samen met Van der Elsken bedacht hij de zeer experi-mentele lay-out voor diens tweede boek Bagara (1958), een dramatisch beeldverslag van zijn reiservaringen door Frans Equatoriaal Afrika waarin het leven van de Banda-negers en de jacht op groot wild centraal stonden. Zoals Ed van der Elsken in de jaren vijftig tot de ‘angry young men’ binnen de Nederlandse fotografie hoorde zo was Jurriaan Schrofer in die periode een van de geruchtmakende vernieuwers op het gebied van de grafisch vorm-geving. Geïnspireerd door het ‘film noir’ genre en de revolutionaire montage-opvattingen van Serge Eisenstein en André Bazin gingen zijn boekontwerpen voorbij aan de ‘brave’ wederopbouw-retoriek van een eerdere generatie, en toonde hij de mensheid en de wereld in een constante staat van flux. Het concept van de beeldroman maakte de foto-boeken van Schrofer tot unieke grafische werkstukken. Een Liefdesgeschiedenis in Saint Germain des Prés vormt daarvan het mooiste bewijs.

 

Reacties uit de pers (1956)

De Nederlandse pers reageerde uiterst heftig op het verschijnen van Een liefdesgeschie-denis in Saint Germain des Prés. Over de foto’s was vrijwel iedereen vol lof. Een aantal recensenten ging echter niet accoord met de sombere visie op de jeugd die uit het boek sprak. In Vrij Nederland van 15 december 1956 werden de menings-verschillen op een rijtje gezet.        

“Velen zal het vergaan zoals ons: wij kunnen dit zieke boek niet liefhebben .” (redactie Vrij Nederland)

Eindelijk weer eens een boek waar wij warm voor kunnen lopen [...] omdat het een stuk is van onze jeugd, van ons leven in deze eeuw. Als het in relief gebracht zou worden, konden blindenhanden voelen, hoe mooi aan de randen der verrotting de bloemen van het boze en van de wanhoop bloeien. Was het verfilmd, wij zouden alleen in de zaal achterblijven, om het tot aan het bittere einde mee te maken.” (Lucebert)

“Rotheid zwart op wit met soms een tekst, die je ook in een urinoir kunt lezen. Een liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés! Stervend Europa! Rottend Europa. Rusland zal dit boek gebruiken als een overtuigend bewijs dat Europa vanwege zijn decadentie kan worden afgeschreven. [...] Ik zou wel eens willen weten, wat de heren van de Bezige Bij bewogen heeft, dit boek uit te geven” (Dominee J.J. Buskes Jr)

“Waarom mensen door deze intrige geschokt zijn is me een raadsel. We krijgen regelmatig in films en romans dergelijke situaties voorgeschoteld, soms ontroerend, meestal drakerig, zonder dat iemand dat buitengewoon stuitend vindt.” (Mea Blazer-Dekker, echtgenote van Carel Blazer)         

“Als fotograaf moet ik hem heel hoog aanslaan, als mens moet ik medelijden met hem hebben (....) De uitgevers van dit soort beeldromans moesten ze gaan doodschieten; we hebben nu wel genoeg ingebonden geroddel over Parijs in de boekenkasten.” (J.J.Hens in: FOTO, april 1957)

“De nogal ostentatieve pubersmart van een aantal slecht gewassen jongelui die, kwaad op de wereld, dag en nacht rondhingen in een artistenwijk [...] vormde zonder twijfel een fotogeniek schouwspel dat men kon benaderen op alle manieren tussen moraliseren en ironiseren. Van der Elsken was er genoeg bij betrokken, om het allemaal erg serieus te nemen.” (Simon Carmiggelt)

“Het rassenvraagstuk komt naar voren uit het hele boek, niet alleen uit dat ene zinnetje waarin Ann zegt dat negers zo zacht aanvoelen, óók uit de foto’s. Daarom is het van zo grote betekenis.” (Ome Jan van Zutphen)

“Ook dit boek heeft net als Van het Reve’s De Avonden, zijn konijntje. Wat is Ann een lekker diertje! (en fijn dat ze nu een fijn boek heeft, helemaal voor d’r eigen.) Alleen zal menigeen het niet zo een fijn trekje van haar vinden, dat ze zoveel van negers houdt.” (Lucebert)

Rik Suermondt

 

Ed van der Elsken (foto’s en tekst), Jurriaan Schrofer (vormgeving), Een liefdesgeschie-denis in Saint Germain des Prés, (herdruk 1999), 27x20 cm, 116 pag, 216 afb, Uitgeverij De Verbeelding, Amsterdam 1999, ISBN 90-74159-24-9
           

Gepubliceerd in: FOTO, januari/februari 2000, pp 20-25